Uitslag   Raad van State

 

Uitspraak Raad van State

zaaknummer

 

201206134/2/R3

 

datum van uitspraak

 

vrijdag 19 oktober 2012

 

tegen

 

de raad van de gemeente Landerd

 

proceduresoort

 

Voorlopige voorziening

 

 

rechtsgebied

 

Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen
Noord-Brabant

 

 

           

 

 

201206134/2/R3.
Datum uitspraak: 19 oktober 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Landerd,
2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Landerd,

en

de raad van de gemeente Landerd,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2012, nummer 2012/562, heeft de raad het bestemmingsplan "Kindcentrum Zeeland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld. [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 4 oktober 2012, waar [verzoeker sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, [verzoeker sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan een beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

2.1.    De voorzitter acht niet uitgesloten dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van [verzoeker sub 1] en anderen, voor zover dat is ingediend door [verzoeker sub 1 A], [verzoeker sub 1 B] en [verzoeker sub 1 C], niet-ontvankelijk zal achten, nu niet is gebleken dat zij een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerpplan. Gebleken is dat de andere indieners van het beroep van [verzoeker sub 1] en anderen tijdig een zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren hebben gebracht, zodat in zoverre sprake zal zijn van een ontvankelijk beroep. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

3.    Het plan voorziet ter plaatse van een thans braakliggend terrein in het centrum van Zeeland in nieuwe bebouwing ten behoeve van een Kindcentrum, waarin onder meer twee basisscholen, een kinderopvang en een ruimte voor de plaatselijke harmonie zijn voorzien.

4.    [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] beogen een schorsing van het besluit, teneinde te voorkomen dat in afwachting van de behandeling van de hoofdzaak met de bouw van het Kindcentrum kan worden begonnen. Zij voeren onder meer aan dat het parkeeronderzoek ondeugdelijk is, waardoor niet vaststaat dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig zullen zijn voor het Kindcentrum.

4.1.    Ten behoeve van het plan heeft de raad door Advin B.V. een verkeersonderzoek laten uitvoeren, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Verkeerskundig advies Kindcentrum" van 19 januari 2012. Uit dit rapport volgt onder meer dat de benodigde parkeerplaatsen deels zullen worden gerealiseerd binnen het plangebied en deels buiten het plangebied in de openbare ruimte. Voorts volgt daaruit dat een deel van de parkeerplaatsen die nodig zijn voor het Kindcentrum bestaande parkeerplaatsen zijn. Naar aanleiding van dit rapport hebben [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] door Goudappel Coffeng B.V. een rapport laten opstellen over de verkeerskundige onderbouwing van het plan, onder meer met betrekking tot de behoefte aan parkeerplaatsen.

Op grond van deze stukken en het verhandelde ter zitting is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet vast komen te staan dat  voldoende parkeerplaatsen aanwezig zullen zijn voor de ontwikkeling in het plan. Daarbij is van belang dat onvoldoende duidelijk is hoe bij het betrekken van bestaande parkeerplaatsen bij de invulling van de parkeerbehoefte van het Kindcentrum rekening is gehouden met de bestaande parkeerbehoefte van voorzieningen en woningen in de omgeving en op welke wijze rekening is gehouden met de maximale planologische invulling van het plangebied. Voor de beoordeling hiervan is nader onderzoek nodig in de bodemprocedure.

5.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen en gelet op de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. In verband hiermee behoeven de overige betogen geen bespreking.

6.    De raad dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Landerd van 19 april 2012, nummer 2012/562;

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Landerd tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.714,72 (zegge: zeventienhonderdveertien euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Landerd tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Landerd aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [verzoeker sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [verzoeker sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. Kooijman
voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2012

177-715.